Historie

Historie

Harpel tijdens de tweede wereldoorlog.

Hongerwinter 1944-1945.

Beste HARPELERS...

Als je een echte Harpeler bent en daar trots op bent, dan moet je beslist dit verhaal van mij lezen.

Het is een waar verhaal, persoonlijk verteld en beleefd, het gaat over beste mensen die vandaag nog leven, over de plaats Harpel, Vlagtwedde. En het omliggende gebied.

Ik kan gerust hun echte namen gebruiken in dit verslag, want het zijn beste brave en lieve mensen, de reden daarvoor zult u spoedig vernemen.

Mag ik me eerst even voorstellen, ik heet Peter Overliese en woon in Perth, West Australië, waar we, sinds onze emigratie vanuit Holland in 1950, al wonen.

Ik ben getrouwd, heb 2 volwassen kinderen, nog in prima gezondheid, verdien de kost als 'TV technicus'.

Ik praat al 50 jaar uitsluitend Engels, wat mijn eerste taal is geworden. Maar met behulp van wat ik van mijn moedertaal nog ken en met hulp van uw 'webmaster' Jacob Nijboer zal het wel lukken om een goed verhaal tot stand te brengen.

Ik ben in 1938 in Amsterdam geboren, als oudste zoon van Pieter en Annie Overliese, ik had toen 2 zusjes 5 en 8 jaar ouder als ikzelf, Truus en Annie. Mijn vader was schoenmaker van beroep, hij had zijn eigen zaak in Betondorp Amsterdam.
Wij waren een 'Christelijk gezin'.

HONGERWINTER 1944

Amsterdam in 1944 was een 'puinhoop'.
Mensen van tegenwoordig kunnen zich niet voorstellen hoe erg de toestand was aan het einde van de 2e wereldoorlog.

Er was geen elektriciteit, geen kolen, geen gas, geen rubber voor fietsen en banden, geen autoverkeer, geen benzine enz en bijna geen eten. En dat al bijna 2 jaar lang!

De mensen kookten hun eten (het beetje wat er was) op de zg. 'noodkacheltjes'. Een vuurtje in een leeg blik om de pot te koken, met houtjes als brandstof. Ik weet nog goed hoe ik hielp om vloerplanken te slopen uit lege 'Joden huizen' (die mensen die waren gedeporteerd of gevlucht) met mijn oudere zusjes.

Alles was 'op de bon' en één keer per dag kon een gezin eten krijgen bij de gemeentelijke 'gaarkeuken', meestal zg. 'Hutspot', aardappelen, wortelen en uien.

Maar ons gezin was aan het verhongeren, veel mensen zijn toendertijd gestorven door ellende en voedsel tekort, zij hadden geen weerstand tegen ziektes meer.

Honden en katten zijn dikwijls in de pot terechtgekomen, en mijn moeder, - weet ik nog zeer goed, - was eens heel erg van streek toen ze de kop van een herdershond tegenkwam in de vuilnisbak van de buren. (ze was op zoek naar aardappelschillen).

Ikzelf was een mager jochie van 7 jaar, ziekelijk en zwaar ondervoed, ondanks de goede zorgen van mijn ouders. De dokter had mijn moeder alreeds gezegd: "Breng dat kind naar de boeren, anders overleeft hij het beslist niet", toen ik weer eens ziek met bronchitis was.

We zijn toen als vluchtelingen gaan lopen naar Groningen.

Vader, moeder en 3 kinderen met de kinderwagen vol met kleren en het beetje voedsel wat we nog hadden. Onder in de oude (houten) kinderwagen zat een zg. luierbak, een dubbele bodem, onder het matras, waar mijn vader een hele Goudse kaas had verstopt (geruild op de 'zwarte markt' voor onze piano).
Ook nog een wittebrood en een kilo roomboter (geruild voor hun 2 gouden trouwringen!!)

Op zwarte handel stond destijds de doodstraf (sabotage) en het was heel goed mogelijk om terplaatse doodgeschoten te worden, als hetgeen in onze kinderwagen lag gevonden zou worden.

Mijn vader was ook nog 'ondergedoken', maar dat risico namen ze, in het belang van hun kinderen.

Ik was te zwak om te lopen en zat bovenop de kinderwagen.

DE LOOPTOCHT NAAR HARPEL

Zes dagen zijn we lopend onderweg geweest naar Noord Holland.

We zijn met de 'Lemmerboot' het IJsselmeer overgestoken, we hadden geluk, het was de laatste overtocht, want de volgende dag is die boot door een bombardement gezonken. Het was tenslotte oorlogstijd.

Elke avond hebben we in vluchtelingencentra overnacht, door het Rode Kruis verzorgt. Vader liep achter ons aan op grote afstand, om weg te schuilen als er controle was op de weg van de 'moffen', want hij had geen papieren, pas als het donker was zocht hij ons weer op.
Wat een rottijd.
Wat een toestand, in Nederland.

VLAGTWEDDE

Net op tijd kwamen wij in Vlagtwedde aan, het was toen zwaar winter, alles was bevroren, zoiets als de zwaarste winter in 20 jaar, het was te koud en we waren te zwak om verder te lopen en te zwerven.

De kerk heeft ons opgevangen en heeft ons geholpen om bij boerenfamilies in huis te komen, tot het einde van de oorlog, op de Harpel.

Vader en moeder bij de familie Strockmeijer.
Vader als knecht de kost verdienen, moeder als huishoudster.
Er was een speciale reden waarom we bij de Strockmeijers waren ondergebracht, dat vertel ik later. (Een ongelofelijke reden!!)

Ik werd opgenomen bij Lammert en Tetje Niemeijer,

Annie en Truusje bij de familie Kuipers.

TANTE TETJE

Dit is het hoogtepunt van mijn verhaal.

Op de foto bij Meijer
Van links naar rechts: de Kuipers kinderen, mijn zusje Truus en ikzelf, boven is (ik denk) Klaas Niemeijer.

Tetje Niemeijer was meteen mijn 'Beschermengel'.
Een echte warmhartige boerenvrouw die me meteen onder haar hoede nam en me opfokte als een magere kat.
Zes keer per dag kookte ze speciale lekkere hapjes om aan mij op te voeren, want ik was 'zwaar ondervoed'. Verse groenten van de tuin, warme melk van de koe, spek enz enz.
Ik had totaal geen eetlust meer en weet nog zeer goed hoe ik treuzelde met mijn eten. Ik moest aan tafel blijven tot mijn bord leeg was.
Nou, ingewekte dingen vond ik lekker en geleidelijkaan werd ik sterker en gezonder.

Tetje had mij lief alsof ik haar eigen zoon was, ze heeft mij absoluut het leven gered.
Ik vond in Tetje mijn tweede moeder.
Herinneringen aan haar zijn tegenwoordig nog net zo sterk als al die jaren geleden.

Een korte tijd na aankomst had ik ongelukkig mijn rechter voet verbrand, omdat ik in een open vuurtje buiten (met zand bedekt) getrapt had. Ook dat nog!
Tante Tetje verzorgde me intensief met 'Levertraan zalf' en aspirinen voor de pijn. Antibiotica waren nog niet uitgevonden en een grote brandwond kon levensgevaarlijk zijn als het tot bloedvergiftiging leidde.
Ik weet nog steeds goed hoe ze me vasthield als ik huilde van de pijn, ik kon haast geen adem halen als ze me tegen haar zachte boezem vast drukte!!

Ergens in de Hemel is een stoel voor haar geplaatst!!!

Een liefdadig mens, wat betekent dat er vandaag en morgen honderden nakomelingen van het leven genieten, dankzij haar.
Maanden later was ik weer sterk genoeg om naar het schooltje op Harpel te gaan en vergat gauw mijn zorgen toen ik weer gezond op de been was.

Op school waren er een stuk of tien kinderen, van alle leeftijden, en een meester. Helaas weet ik zijn naam niet meer.

Afijn weer verder..

BERGEN AARDAPPELS EN BOERENKOST.

Terwijl in Amsterdam een chronies voedseltekort was en de mensen honger en ellende doorstonden, was der op Harpel tenminste een overvloed van alles.

De aardappeloogst kon niet op de markt komen (geen transport) en overal waren er bergen van aardappels aan de kant van de velden opgestapeld als lange 'hunebedden' met aarde bedekt, om het rottingsproces te vertragen.
Vader werkte mee om de bergen om te gooien en de rotte aardappels te verwijderen, men probeerde zolang als mogelijk de oogst te bewaren.

De slager kwam langs en het varken werd geslacht. Ik mocht dit niet zien van Tetje, maar vond het heel grappig dat alle worsten en het spek en vlees opgehangen werden in het 'stookhok'.
Elke dag werden de koude gekookte aardappels van gisteren in schijfjes in het spekvet gebakken en met kaantjes en een beetje melk (stip?) opgediend.
Nu nog steeds mijn lievelingskost.

Kersen en frambozen en noten en alle soorten lekkere dingen die ik voor het eerst bewust ontdekt had, kwam als oogst van het land af.
De boeren op Harpel hadden het nog steeds goed.

DE FAMILIE STROCKMEIJER

Strockmeijer had al jarenlang een Joodse man en vrouw verborgen in zijn boerderij.
Ondanks dat het de doodstraf betekende als ontdekt werd dat ze Joden verborgen.
Alleen zijn vrouw en hijzelf wisten van de onderduikers en ondanks dat mijn vader en moeder er in huis waren wisten zij dat helemaal niet.
Zij hebben er nooit iets van gemerkt.

s'Nachts konden de onderduikers een luchtje scheppen en dan weer stil als een muis de dag doorbrengen, verborgen in een speciale woonplek onder de schuur.
Zij wisten zeer goed van mijn vader en moeder, alhoewel ze hen nooit ontmoet hadden.
Toen de bevrijding officieel was kwamen ze juichend uit hun schuilplaats en omhelsden ze onze verbaasde ouders.

Die slimme Strockmeijer had mensen als gast in huis zo dat het geen argwaan zou wekken als hij meer dan normaal inkopen deed in het dorp.
Want moet een mens daarvan denken!!
Geweldig!!

TOT SLOT

Ik denk dat er vele verhalen zoals dit te vinden zijn uit de oorlogsjaren...
Het was ook niet uniek.

Toen er Duitse 'kindsoldaten' in de buurt kwamen hebben veel boeren hun voedsel gegeven.
Arme stakkers van jochies van 12, 13, 14 jaar, in hun slecht passende soldaten uniform en met lege ransels, bezig om de brug te slopen over het Mussel Aa kanaal.
Ondanks dat het 'de vijand' was konden ze niet aanzien dat een mens ellende had en honger leed en gaven ze hen wat ze konden missen.

Bravo Harpel

Dat is mijn HARPEL verhaal.

Peter Overliese Juli 2002



Nog meer historie?

© Harpel.nl - Sitemap - Disclaimer - Nonix